Geschiedenis van Loge 'La Charité"
De geschiedenis
van de Amsterdamse loge La Charité begint niet in 1755, zoals het
vieren van een 250-jarig bestaan anno 2005 zou doen vermoeden, maar
in 1753. Het is in dat jaar namelijk dat de eerste broeders het
initiatief nemen ter stichting van een nieuwe Amsterdamse loge. Een
kort vooraf...
De eerste
vermelding van een logeleven in Nederland stamt uit 1734. Twee jaar
later worden de activiteiten van de `Vrywillige Metselaers' verboden
door de Staten van Holland (als zijnde een 'queekschool van facties,
beroertes en debauches'). Dit verbod, dat in 1747 officieus wordt
opgeheven, is uniek in de geschiedenis van de Nederlandse
vrijmetselarij en kent alleen tussen 1940-1945 een herhaling.
Het mag echter
niet baten: de oprichting van nieuwe loges gaat gestaag door. Als
Willem IV in 1747 vanuit Engeland aan het hoofd van de Republiek
wordt geholpen, is de ban gebroken. Vanwege de goede
verstandhouding die tussen de Oranjes en Engeland bestaat, kan de
vrijmetselarij zich in Nederland verder ontplooien. Willem V wordt
later zelf in een Engelse loge ingewijd.
Een van de
grondleggers van de Nederlandse Orde der Vrije Metselaren is de in
Frankrijk geboren journalist Jean Rousset de Missy.
Rousset, die in
Den Haag wordt ingewijd, vestigt zich vervolgens in Amsterdam en
richt daar de loge De la Paix op (in 1755 omgedoopt tot La Bien Aimée).
Rousset is een actief en geëngageerd man. In 1748 kiest hij de zijde
van de Doelisten (zo genoemd omdat zij in de Kloveniersdoelen, de
oefenplaats van de schutters, vergaderden) tijdens het
Amsterdamse Doelistenoproer, waarbij hij sterk democratische ideeën
ventileert en het volk oproept tot opstand
ter afbraak van de regentenkliek.
Het Grootoosten,
de nationale leiding van de Hollandse vrijmetselarij, komt in Den
Haag terecht en niet in Amsterdam (1756). Den Haag wordt daarmee
het centrum van de Nederlandse vrijmetselarij. De relatie tussen Den
Haag en Amsterdam is in deze tijd verre van broederlijk. Dat is
onder meer te verklaren uit de samenstelling van de loges: die in
Den Haag bestaan uit adellijke lieden, waarbij de voertaal Frans is,
terwijl de Amsterdamse loges voornamelijk gevormd worden door
zakenmensen en boekverkopers, waakzaam voor een te grote Franse
invloed.
Het is de
Amsterdamse invloedrijke bankier Daniel Hogguer die de gelederen
weet te sluiten door als bemiddelaar op te treden.
Vanuit die eenheid
zal de vrijmetselarij zich verder ontwikkelen. Door het hele land
worden gestaag nieuwe loges geïnitieerd.
J.B. BERLETOT
In 1753 wordt voor
het eerst melding gemaakt van de Achtbare Loge La Charité, no. 5.
Dat nummer geeft aan dat Londen, dat wereldwijd de
constitutiebrieven afgaf, de Amsterdamse loge La Charité als vijfde
loge in de Nederlanden heeft ingeschreven. De constitutiebrief –
English Charter – is gedagtekend op de 24e juni 1755; dit is de
officiële oprichtingsdatum. Dit Engelse origineel wordt ingewisseld
voor de nieuwe Nederlandse Constitutiebrief, toen in december 1756
de Groote Loge in Holland werd gesticht, later de `Groote Loge der
zeeven Vereenigde Nederlanden', geheten. De tien Nederlandse loges –
waaronder La Charité – die zich hadden ingezet voor de
totstandkoming hiervan, kregen de eervolle vermelding Loge
Fondatrice: `oprichtende loge'.
De eerder genoemde
Daniel Hogguer krijgt met het English Charter de toestemming in
Amsterdam de loge La Charité op te zetten, met daarbij de vraag zo
snel mogelijk verslag te doen van de installatie van de loge.
Hogguer ziet of van de eer en stelt de Franse Grootmeester J. B.
Berletot voor om de honneurs waar te nemen. Zo wordt dan door
Berletot op 5 oktober 1755 de loge daadwerkelijk geïnstalleerd. De
broeders kwamen bij elkaar in Het schilt van Vrankryk aan de
Amsterdamse Nieuwezijds Voorburgwal, waar ook La Bien Aimée
vergaderde. Na het toezenden van zijn verslag van de installatie
kreeg de loge haar ratificatie der constitutie (zie kadering)
toegezonden. Het is het eerste document waarin sprake is van de naam
La Charité (Lodge of Charity). Alhoewel er eveneens sprake is van
een `Certificaat van Aanneming' van de loge La Charité, stammend
uit 1753, wordt de English Charter van 1755 gehanteerd als datering
van de start van haar werkzaamheden.
La Charité gaat
gelijk verbintenissen aan met de andere Amsterdamse loges (La Bien
Aimée en Concordia Vincit Animos) en met de
Haagse en oudste loge l'Union. Deze loge heeft dan inmiddels het
initiatief genomen om het in 1735 opgeheven Grootoosten (ten gevolge
van het hierboven vermelde verbod) te herstellen. Hoewel de andere
Amsterdamse loges hier niet direct warm voor lopen, is La Charité
een groot voorvechtster voor dit herstel dat in 1756 een feit is,
als Albregt Nicolaas baron van Aerssen Beijeren wordt uitgeroepen
tot Grootmeester Nationaal, de benaming van het hoogste ambt dat kan
worden bekleed in de Orde van Vrijmetselaren.
HENRI JEAN
ROULLAUD
De oudst bekende
Voorzittend Meester van La Charité is Francois Philippe le Paige.
Van 1753 tot 1756 (de eerste verjaardag van de installatie van de
loge, op 24 juni van dat jaar) hanteerde hij de voorzittershamer, om
opgevolgd te worden door Henri Jean Roullaud.
Na een korte
loopbaan als koopman zal Roullaud, zoon van een Franse réfugé
die naar de tolerante Nederlanden is gevlucht, weldra de `schoone
letteren betrachtten'. Zijn gedichten, toneelwerken en vertalingen
staan vooral in dienst van het populariseren van kennis. Als lid van
het genootschap van Amsterdamse toneelschrijvers 'Oefening
beschaaft de Kunsten' (opgericht in 1752 door Lucas Pater) en later
als directeur (Regent) van de Amsterdamse schouwburg, is Roullaud
een typisch voorbeeld van een fenomeen dat in de tweede helft van
de 18e eeuw steeds sterker wordt. Onder invloed van de
Verlichtingsbeweging, die na de werken van Isaac Newton steeds meer
van zich doet spreken, bloeit het verenigingsleven enorm op.
Uitgaande van het menselijk verstand en niet van de goddelijke
voorzienigheid, komen meer en meer mensen bij elkaar om lezingen
bij te wonen, te debatteren over maatschappelijke ontwikkelingen en
initiatieven te nemen ter verbetering van de leefomgeving of de
toegankelijkheid van kenniscentra. Het eigen lot wordt maakbaar,
alhoewel het voorbestemd blijft voor de gegoede burgerij; enige vorm
van welstand is vereist om zich in de verenigingen te kunnen
mengen. Later zal de gegoede en verlichte burgerij meer haar best
doen om 'het gewone volk' te bedienen van
mogelijkheden zich ook tot `betere mensen' te ontwikkelen. Het is
dan ook geen toeval dat juist in die tijd de vrijmetselarij – met
haar kern van vrije denkers – steeds vaker leerlingen kan inwijden.
De Amsterdamse vrijmetselarij zal in haar bestaan haar best blijven
doen een forse steen bij te dragen aan de
ontwikkeling van de hele stadsbevolking.
Was de
samenwerking van de Amsterdamse loges in haar allereerste begin nog
moeizaam wegens verschillende loyaliteitskwesties, mede door toedoen
van Henri Roullaud vormde het viertal Loges Fondatrice (de drie nu
jubilerende loges plus La Bien Aimée) steeds meer een hecht
gezelschap. Om de samenwerking te formaliseren en bestendigen werd
er een Collegie opgericht, bestaande uit vier afgevaardigde
gecommitteerden van elke loge, de Gecombineerde Vergadering. Zij zou
in 1807 de aanzet geven tot een feest ter gezamenlijke viering van
het 50-jarig bestaan van de vier Amsterdamse loges. Ter herdenking
van deze gebeurtenis stelde de Vergadering een document op, dat de
geschiedenis in zal gaan als het `Amsterdamsche Charter'. De loge
werd in haar eerste jaren veelvuldig bezocht door zogenoemde
duisterlingen, mannen die zich in Amsterdam lieten inwijden, om
vervolgens uit te zwermen over de Nederlandse koloniën. Zo
ontstonden vanuit, onder andere, La Charité loges in de Oost en op
de Antillen.
Henri Jean
Roullaud stierf op 28 augustus 1790 ten gevolge van een
hersenbloeding. De opvolgende Voorzittend Meester Willem Holtrop
schreef voor die gelegenheid een aangrijpende elegie ter
nagedachtenis van de man die zijn loge zo sterk had weten te
positioneren in zowel het Amsterdamse stadsleven als in de
Nederlandse vrijmetselarij.
WILLEM HOLTROP
Elk tijdvak lijkt
zo haar eigen tendensen te kennen, wanneer het gaat om het
verbindende element dat de broeders aantrekt in de loge.
In de eerste
periode van La Charité zien we vooral een bundeling van literatoren
en uitgevers. De dichter Roullaud, zijn eveneens schrijvende broer
René.
De dichter en
uitgever Willem Holtrop, die, zoals gezegd, na het overlijden van
Roullaud tot Voorzittend Meester wordt verkozen, zal onder zijn
bewind invloedrijke figuren inwijden als de filosoof J. Kinker, de
medicus J.P. Heije, de dichter J.F. Helmers en de filosoof en
theoloog Paulus van Hemert. Voorts bevinden zich in dezelfde loge de
maatschappelijk belangrijke figuren als Jacob Abraham de Mist
(politicus), M.C. van Hall (historicus en politicus), Johan Rudolph
Deiman (filosoof). Men mag derhalve gerust stellen dat La Charité
onder het bewind van Willem Holtrop het hoogtepunt van haar bloei
bereikte.
Een van de latere
historici die zich bogen over de geschiedenis van La Charité,
tekende over deze periode aan: 'Het is merkwaardig om te zien hoe
bij zoveel talent en verschil van opvatting, de geest in de kring
van "La Charité" onaangetast bleef gedurende de Franse tijd, toen
elders op zovele plaatsen de eendracht verscheurd werd.'
Het moet dan ook
wat geweest zijn. Holtrop – ten tijde van de Napoleontische
overheersing Commissaris-Generaal van Politie in Amsterdam – vindt
zijn broeder in Helmers, die het gezag tart met zijn gedicht De
Hollandsche Natie, een vaderlandslievend gedicht dat tijdens de
Franse overheersing verschijnt.
Kinker, Van
Hemert, Gartman en Deiman, allen fervente aanhangers van de Duitse
filosoof Immanuel Kant (zijn Kritik der reinen Vernunft, in 1781
verschenen, slaat in als een bom en zal tot op de dag van vandaag de
grondslag vormen voor de moderne metafysica), komen in 1806 in
botsing met het bestuur van hun loge, als dit besluit geen joodse
broeders meer in te wijden. De reden van het wezensvreemde besluit
(bezien vanuit de strikt humanistische beginselen van de
vrijmetselarij) ligt volgens het bestuur in het feit dat joodse
medebroeders zich niet konden conformeren aan de
orthodox-christelijke strekking van de teksten die behoorden bij de
zogeheten Hogere Graden (volgend op die van leerling, gezel,
meester). Kinker schrijft: `Zo het waar is dat onze Orde de
oppervlakte van de planeet welke wij bewonen als een vaderland, en
alle mensen als broeders (...) van een huisgezin beschouwt; zoo het
wereldburgerschap haar hoogste beginsel is, en onze Loges de scholen
zijn, waarin deze verheven leer, met meer klem dan elders gepredikt
wordt, dan voorzeker moeten de ondergeschrevenen zich verwonderen,
dat er hier en daar Loges gevonden worden, waarin sommige
Godsdiensten den toegang ontzegd wordt tot het algemeen Altaar der
Menschheid.' In 1817 wordt op voorstel van Kinker een commissie,
bestaande uit leden van de twee betrokken loges (La Charité en La
Bien Aimée) ingesteld, die het vraagstuk dat jaar ook daadwerkelijk
weet op te lossen, waarop de loges weer openstaan voor joodse
broeders.
Vele ideeën en
verantwoordelijkheden komen in deze periode bij elkaar binnen La
Charité. Het moet een ongelooflijk enerverende omgeving zijn
geweest. De Republiek was in woelig vaarwater gekomen, in 1815 wordt
uiteindelijk het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden uitgeroepen.
Vertegenwoordigers
van verschillende maatschappelijke rangen en standen ontmoetten
elkaar in de loge. Het is moeilijk vast te stellen wat daarvan de
maatschappelijke consequenties feitelijk zijn geweest. Het is goed
voorstelbaar dat de broeders van de Amsterdamse loges (niet alleen
binnen La Charité) in meerdere openbare ontwikkelingen hun
gezamenlijke invloed hebben doen gelden.
Een van de
concrete wapenfeiten van La Charité is het in 1808 opgerichte
Instituut tot Onderwijs der Blinden in Amsterdam. Jeugdige blinden
werden hier opgeleid om zelfstandig in het eigen levensonderhoud te
kunnen voorzien.
HENRY ZEEMAN
In 1835, na het
overlijden van Willem Holtrop, nam Cornelis van der Vijver het
voorzitterschap van de loge over. Onder zijn leiding en onder
leiding van zijn opvolger De Bie worden de broeders aangespoord zich
minder met bespiegelingen bezig te houden, maar de ideeën liever om
te zetten in daden. Bij gebrek aan bijstandswetgeving en sociale
voorzieningen probeert de loge haar plicht jegens de minderbedeelden
vorm te geven. De loge wordt stiller, ingetogener en gaat zich meer
en meer richten op liefdadigheid, bijvoorbeeld door het
Blindeninstituut te blijven steunen en, later, door het oprichten
van de vereniging Kinderhulp.
Henry Zeeman –
Voorzittend Meester van de loge rond 1870 – leidt de Louisa
Stichting (genoemd naar de vrouw van Prins Frederik). Deze stichting
wordt opgericht in 1869 ter financiering en beheer van een
opvoedingsinstituut voor kinderen tot de leeftijd van 14 jaar van
overleden `minvermogende' vrijmetselaren.
Het
is een treffend voorbeeld van de hulpvaardigheid en loyaliteit van
La Charité binnen de vrijmetselarij.
Bijna alle notulen
uit deze periode maken melding van charitatieve handelingen. Het is
de kern van de arbeid geworden, het hart en het wezen van de loge.
DIEPTEPUNT
In de periode
tussen de twee wereldoorlogen ontstaat langzaam maar zeker een
steeds venijniger anti-maçonnieke stemming. In 1913 wordt de
vrijmetselarij in de Tweede Kamer er al van beschuldigd
medeverantwoordelijk te zijn voor het vallen van het christelijke
coalitiekabinet-Heemskerk. De liberale dominee Lieftinck verweert
zich door in de Kamer te stellen dat de macht der vrijmetselarij
nooit van dien aard is geweest dat het een val van een regering
teweeg zou kunnen brengen. De katholieken blijven de vrijmetselarij
van van alles en nog wat betichten, maar de Orde weet zich, in
navolging van Lieftinck, in het openbaar goed te verdedigen.
Het mag niet
verwonderlijk heten dat juist de nazi's de lastercampagnes naar
grote hoogten op stuwen, bang als ze zijn voor de
vrijzinnig-humanistische traditie van de Orde. In een desastreus
vijandelijke mix van antisemitische, anticommunistische en
anti-maçonnieke propaganda wordt het yolk opgehitst, jammerlijk
gesteund door katholieke media als het dagblad De Maasbode en het
tijdschrift Goed Volk.
De voornemens van
de nazi's werden direct uitgevoerd, zodra ze de macht hadden
overgenomen en bloedig doorgevoerd toen de Tweede Wereldoorlog
uitbrak...
Als de Duitse
troepen Amsterdam binnentrekken, is een van de eerste daden het
verbieden van de vrijmetselarij en het vorderen van het gebouw aan
de Vondelstraat, inclusief al haar bezittingen, die worden
tentoongesteld en verkocht.
Het is 4 september
1940 en het betekent het einde van loge La Charité. De ledenlijst
van de loge in de jaren 1939/'40 geeft aan dat zij bestond uit
twintig meester-vrijmetselaars en één leerling. Aan het eind van de
oorlog blijken zo veel broeders door terechtstelling of deportatie
hun leven verloren te hebben, dat een heropening van de loge op dat
moment niet mogelijk is.
Het vormt het
trieste dieptepunt in de geschiedenis van de loge. Angst en terreur
maakten een einde aan een spraakmakende loge met zo veel oog en
gevoel voor medemenselijkheid. De Orde, hoewel geschokt en
aangeslagen, herneemt haar activiteiten langzaam, het ledental neemt
in de eerste tien jaar na de oorlog toe, tot het aantal van circa
6000 broeders.
JACOB
ZEIJLEMAKER
Rond 1954 zijn er
verschillende gelukkige factoren die leiden tot de wedergeboorte
van La Charité. Het laatstovergebleven lid van de vooroorlogse loge,
Joseph de Groot (die zich na de oorlog had laten overschrijven naar
La Paix), sluit op 4 november 1954 met vijf andere Amsterdamse
broeders een gezegelde overeenkomst om de loge La Charité nieuw
leven in te blazen. Onder de vijf nieuwe leden bevinden zich vier
broeders vanuit La Paix en een uit loge Eendracht. Het is de
conceptie, de aanzet tot de wedergeboorte van de loge.
Samen met negen
andere broeders, die gedwongen waren teruggekeerd uit voormalig
Nederlands Indië, verklaart professor Jacob Zeijlemaker (dan reeds
uitgeroepen tot Gedeputeerd Grootmeester van de Orde) zich meer dan
genegen plaats te nemen in de heropgerichte loge La Charité. Daarbij
zegden nog eens negen Amsterdamse broeders toe zich te laten
overschrijven van hun eigen loge naar La Charité, waardoor het
noodzakelijk aantal broeders ter initiëring van een loge ruimschoots
behaald wordt. De heropening van de Loge Fondatrice no. 6 is een
feit.
Jacob Zeijlemaker
is in meer dan een opzicht een memorabel vrijmetselaar. Niet alleen
was hij nadrukkelijk medeverantwoordelijk voor de wedergeboorte van
La Charité, ook was hij initiator van de door de loge
(mede)opgerichte uitgeverij Fama Fraternitatis, min of meer de
huisuitgeverij van de Nederlandse vrijmetselarij. Daarbij heeft
Jacob Zeijlemaker een blijvend stempel gedrukt op enerzijds het
algemene maçonnieke leven door middel van de ritualen (teksten ter
leiding en begeleiding van de door de vrijmetselaren uitgevoerde
rituelen), die hij hertaalde of nieuw leven inblies, en anderzijds
op zijn eigen loge La Charité door – tegen de algemene richtlijnen
en gebruiken in, die het gebruik van bouwsymboliek voorschreven – de
lichtsymboliek centraal te stellen. Waar dus in de meeste loges in
Nederland gewerkt wordt aan de hand van bouwsymbolen (passer,
winkelhaak, schietlood, troffel en dergelijke, alle symbolen voor
elementen die in het rituaal worden geduid), daar werkt La Charité
met lichtsymbolen, zoals zon, maan en sterren. Ook is hierdoor het
tweetal maçonnieke hoogtijdagen (het Zomer en Winter Sint Jan,
gevierd rond het begin van zomer en winter) bij La Charité
uitgebreid met twee extra dagen: de Herfstequinox en het Maçonniek
Nieuwjaar, gevierd rond de start van de herfst en de lente, waarmee
de zonnestand in al haar vier stadia wordt uitgelicht.
DE MODERNE
TIJD...
Na het
voorzitterschap van Jacob Zeijlemaker in twee `regeringsperioden',
van 1955 tot 1958 en van 1967 tot 1969 en van zijn broer Jan, die
Voorzittend Meester was van 1961 tot 1967,
hebben de opvolgende Voorzittend Meesters meer en meer te maken met
de maatschappelijke wervelwinden die sinds de jaren zestig door het
land razen. Juist binnen La Charité vormen jongere broeders een
steeds nadrukkelijker wordende kracht, die zich verzet tegen de door
hen als anachronistisch ervaren delen van de maçonnieke traditie.
Dit proces gaat zo ver, dat er elders wel wordt gesproken van de
`spijkerbroekenloge'. Het is belangrijk te onderstrepen dat er nooit
sprake is geweest van disrespect tegenover de voorschriften van de
Orde. Veeleer was de zorg om aan te blijven sluiten bij een sterk
veranderende samenleving uitgangspunt bij het zorgvuldig inbrengen
van aanpassingen en toevoegingen, die moderne broeders in staat
stelden aansluiting te vinden op een eeuwenoude traditie...
Wat La Charité
betreft kan in ieder geval worden opgemerkt dat – met het oog op
haar belangwekkende en kleurrijke historie – het voor haar huidige
en toekomstige leden geen enkel probleem zal zijn deze prachtige
loge in leven en bruisend te houden. Al is er dan geen directe
openbare invloed en zijn de loges zich meer en meer naar en op
zichzelf gaan richten, individuele broeders – ook die van La Charité
– zullen met de richtlijnen van de vrijmetselarij in het hart, hun
waarden tonen in het publieke leven of in hun directe omgeving.
(bovenstaande tekst is overgenomen uit het
jubilieumboek "Broederschap of Jongensclub" t.g.v. 250 jarig bestaan
van drie Amsterdamse loges, o.a. loge La Charité)